Citeerwijze van dit artikel:
mr. Vivian Bij de Vaate, ‘Naschrift bij de reactie van H.J.W. Alt op ‘Procesrechtelijke bijzonderheden in de ontbindingsprocedure. Deel 2: het bewijsrecht’’, ARBAC 2012, oktober-december, DOI: 10.5553/ARBAC/.000012

DOI: 10.5553/ARBAC/.000012

ARBACAccess_open

Titel

Naschrift bij de reactie van H.J.W. Alt op ‘Procesrechtelijke bijzonderheden in de ontbindingsprocedure. Deel 2: het bewijsrecht’

Auteurs
DOI
Toon volledige grootte
Statistiek Citeerwijze
Dit artikel is keer geraadpleegd.
Dit artikel is 0 keer gedownload.
Aanbevolen citeerwijze bij dit artikel
mr. Vivian Bij de Vaate, 'Naschrift bij de reactie van H.J.W. Alt op ‘Procesrechtelijke bijzonderheden in de ontbindingsprocedure. Deel 2: het bewijsrecht’', ARBAC oktober 2012, DOI: 10.5553/ARBAC/.000012

      Het doet me goed dat mijn artikel stof tot discussie biedt. Ik deel echter de standpunten die Alt inneemt in zijn reactie op mijn artikel niet.

      Allereerst is volgens Alt het karakter van de ontbindingsprocedure door de jaren heen onveranderd gebleven, waardoor het volgens hem aannemelijk is dat zowel de wetgever als de Hoge Raad met de invoering, respectievelijk uitleg van art. 284 Rv, de ontbindingsprocedure als zodanig als spoedeisend hebben aangemerkt.
      Ik meen dat het karakter van de ontbindingsprocedure door de jaren heen wel degelijk is veranderd. Waar historisch bezien de ontbindingsprocedure uitsluitend bedoeld was voor situaties waarin het onredelijk zou zijn om van partijen te eisen dat zij het ‘regelmatige’ einde van de arbeidsovereenkomst afwachten – dus spoedeisende procedures – is vandaag de dag de ontbindingsprocedure één van de twee hoofdwegen geworden om een arbeidsovereenkomst te beëindigen. In mijn optiek heeft ook de wetgever dit veranderde karakter van de ontbindingsprocedure tot uitgangspunt genomen en niet iedere ontbindingsprocedure als zodanig als spoedeisend aangemerkt. In de memorie van toelichting bij art. 284 Rv wordt immers gesproken over ‘spoedeisende ontbindingsprocedures’.1xKamerstukken II 1999/00, 26855, nr. 3, p. 158. Daarnaast biedt ook de jurisprudentie van de Hoge Raad ruimte voor een onderscheid tussen spoedeisende ontbindingsprocedures, waarin geen ruimte is voor een integrale toepassing van het wettelijk bewijsrecht, en niet-spoedeisende ontbindingsprocedures, waarin wel toepassing gegeven moet worden aan het wettelijk bewijsrecht. Zo gebruikt de Hoge Raad formuleringen als ‘het gaat hier om een eenvoudige, op een spoedige beslissing gerichte verzoekschriftprocedure, waarin de rechter beslist zonder aan de wettelijke bewijsregels te zijn gebonden’2xHR 22 november 1996, RvdW 1996, 230. en ‘de aard van de onderhavige ontbindingsprocedure leent zich niet voor (getuigen)bewijs of een deskundigenonderzoek’ (cursivering DbdV).3xHR 29 september 2000, NJ 2001, 302. Ook Frikkee en Van der Meer menen dat niet alle ontbindingsprocedures spoedeisend zijn en zich tegen integrale toepassing van het wettelijk bewijsrecht verzetten.4xC.J. Frikkee, ‘Twee aandachtspunten bij de ontbindingsprocedure: bewijs en wraking’, in: ‘Arbeidsprocesrecht in beweging’, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 11-13; H. van der Meer, ‘Naar een laatste ‘Aanbeveling’? Het ontbindingsprocesrecht nader ingevuld’, in: ‘De Le(e)nigheid van het Sociaal Recht’, Amsterdam: VU uitgevers 2006, p. 284.

      Alt meent verder dat een slechts gedeeltelijke uitsluiting van het bewijsrecht in een spoedeisende ontbindingsprocedure geen steun vindt in het recht. Zoals ik reeds in mijn artikel heb onderkend kan op grond van de formulering van art. 284 Rv inderdaad betoogd worden dat wanneer de ‘tenzij-clausule’ zich voordoet de gehele afdeling bewijsrecht niet van toepassing is. Ik gaf echter ook reeds aan dat de jurisprudentie van de Hoge Raad een belangrijke aanwijzing voor het tegendeel bevat. In zijn beschikking van mei 1999 overwoog de Hoge Raad dat de rechtsontwikkeling duidelijk in de richting gaat dat de bepalingen van bewijsrecht ook gelden in verzoekschriftprocedures, tenzij de aard van de desbetreffende verzoekschriftprocedure zich tegen toepasselijkheid van de betrokken bepaling verzet (cursivering DbdV).5xHR 28 mei 1999, NJ 1999, 694. Artikel 284 Rv vormt een codificatie van deze jurisprudentie.

      De voorgaande standpunten van Alt leiden hem tot de conclusie dat de ontbindingsprocedure op het punt van het bewijsrecht wel degelijk in strijd is met het door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van ‘equality of arms’. Afgezien van het feit dat ik de voorgaande standpunten van Alt niet deel en meen dat in niet-spoedeisende ontbindingsprocedures wel degelijk integraal toepassing gegeven dient te worden aan het wettelijk bewijsrecht, lijkt Alt te miskennen dat schending van het beginsel van ‘equality of arms’ in de ontbindingsprocedure een grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod oplevert.

    Noten

    • 1 Kamerstukken II 1999/00, 26855, nr. 3, p. 158.

    • 2 HR 22 november 1996, RvdW 1996, 230.

    • 3 HR 29 september 2000, NJ 2001, 302.

    • 4 C.J. Frikkee, ‘Twee aandachtspunten bij de ontbindingsprocedure: bewijs en wraking’, in: ‘Arbeidsprocesrecht in beweging’, Den Haag: Sdu Uitgevers 2012, p. 11-13; H. van der Meer, ‘Naar een laatste ‘Aanbeveling’? Het ontbindingsprocesrecht nader ingevuld’, in: ‘De Le(e)nigheid van het Sociaal Recht’, Amsterdam: VU uitgevers 2006, p. 284.

    • 5 HR 28 mei 1999, NJ 1999, 694.

Reageer

Uw reactie


Print dit artikel Download als PDF

Recente reacties

  • Er zijn geen reacties op dit artikel.